|
Artikelen
Wamena
Interview met Joweni
1 December
Solidair met West Papua
Een goed virus
Kerken in oerwoud
Korte Berichten
Ordetroepen moeten stoppen
Bemiddelaar Suebu
Compromis over vlag
Onrust door Vlag
Autonomie voor Aceh en Irian
Brieven
KomPemPa
|
Eens strijden, is blijvend strijden!
Een ontmoeting met vrijheidsstrijder Uri Richard Joweni
Het eerste nummer van dit jaar bevatte een achtergrondartikel
over de OPM (Organisasi Papua Merdeka), waarin Melkianus Awom, ookwel
Konsup genoemd, en Uri Richard Joweni werden belicht, twee nog actief
zijnde vrijheidsstrijders, die bovendien het langst in de jungle
vertoeven. Afgelopen mei tijdens onze reis naar West Papua kregen we de
unieke kans een van deze OPM-leiders, Uri Richard Joweni, te ontmoeten.
En het werd een zeer bijzondere ontmoeting.
"Nog even wachten," krijgen we te horen na een lange en vermoeiende
tocht van enige uren vanuit Jayapura, "hij is nog in gesprek met een
plaatselijke journalist." "Geen enkel probleem," antwoorden wij geheel
overbodig. Het was overduidelijk dat we wel wat overhadden voor een
gesprek met deze man die nooit te lang op dezelfde plek kan zijn.
Een ontmoeting met deze OPM-leider had nl. nogal wat voeten in de
aarde. Onze informant waarschuwde ons van tevoren dat de Indonesische
strijdkrachten (ABRI) overal ogen en oren hebben. De tocht erheen mocht
dan ook beslist niet opvallen. Onderweg zouden we één militaire post
van de ABRI passeren maar deze zou geen problemen opleveren. Om geen
enkel risico te nemen, ging hij eerst alleen om polshoogte te nemen, de
weg erheen goed te verkennen en aan de heer Joweni zelf te vragen of
wij welkom waren. Onze informant en Yoweni hadden elkaar herhaaldelijk
ontmoet, telkens op een andere plek. Terug in Jayapura vertelde hij ons
dat wij van harte welkom waren, en dat de heer Joweni graag informatie
uit het buitenland wilde horen. Onze informant had de dag en tijdstip
al geregeld. Helaas ging de afspraak op het laatste moment niet door.
Opnieuw werden er afspraken gemaakt, en op zaterdag 27 mei jl. was het
toch nog zover: we mogen komen. In alle haast regelen we een
betrouwbare chauffeur, zorgen voor een volle tank en reserveband (die
we nog nodig bleken te hebben ook) en gaan op weg.
Om 4 uur in de namiddag rijden we stapvoets een bijna uitgestorven
kampong binnen, die op het eerste gezicht niets te verbergen heeft. Een
paar vrouwen doen de was, er lopen wat slechtuitziende honden en enkele
kinderen plagen een kip. Waar zijn de mannen? Het lijkt erop dat we het
dorp weer uitrijden maar onverwachts duiken er slagbomen op uit het
niets. Er wappert een Papua-vlag links van de slagbomen. We worden door
enkele Papua's in zwarte kleding tot stoppen gemaand. Onze informant
stapt uit en praat met de veiligheidsmannen. Hij groet ook de mannen
bij de commandopost met opnieuw een Papua-vlag enkele meters verderop.
Ook wij stappen uit en nemen de omgeving op. We worden hartelijk
begroet door de commandant van de post en hij begeleidt ons het terrein
op. Tussen de hoge bomen verscholen staat een onopvallend huis met
overdekt terras met banken binnen een houten omheining. Onder het afdak
praten enkele mannen. Het lijkt net een vakantieplaatje, alleen hier
dragen de mannen legerkleding en de sfeer is minder ontspannen dan het
plaatje doet vermoeden. Het is duidelijk dat deze mannen niet uit het
dorp afkomstig zijn. We zijn op de plek van bestemming, het tijdelijke
hoofdkwartier (Markas) van Uri Joweni.
Uri Richard Joweni, zoon van een onderwijzer, is afkomstig uit het
gebied Wandamen uit het dorp Risei. Hij ging naar de Middelbare
Technische School in de wijk Dok 5 in de hoofdstad Port Numbai/
Jayapura. In 1965 ging hij naar Java voor een opleiding in de zogeheten
huisvlijtindustrie, 'perindustrian rakyat' om in augustus 1967 weer
terug te keren voor een baan bij het gouvernement of in het
bedrijfsleven. Hij kan echter de mensenrechtenschendingen door het
Indonesische leger niet vergeten. Hij heeft immers gezien hoe mannen,
vrouwen, studenten maar ook scholieren op basis van willekeur werden
gearresteerd, ondervraagd en mishandeld door het Indonesische leger. En
in plaats van een baan bij de overheid te aanvaarden, sluit hij zich
in oktober 1967 aan bij het verzet. Vanaf die tijd verblijft hij samen
met zijn gezin in de onherbergzame jungle van West Papua. Onder zijn
leiding worden enkele succesvolle verzetsactiviteiten uitgevoerd. Zijn
bekendste operatie is de aanval op de Indonesische legereenheden die
wetenschappers van Shell bewaakten in het Mamberamo-gebied, tijdens een
onderzoek naar olie en gas in mei 1983. De verrassingsaanval om vier
uur in de ochtend op nietsvermoedende militairen verloopt succesvol. Er
vallen geen slachtoffers bij zijn manschappen, en de drie onderzoekers
van de Shell laten ze ongedeerd gaan nadat Joweni, gebruikmakend van
hun eigen Shell SSB-radio, een helikopter oproept om de onderzoekers op
te halen. Het werpt zijn vruchten af, het Mamberamo-project van Shell
werd gestaakt.
"Of we toch nog even geduld willen hebben", vraagt de commandant van
het hoofdkwartier, "het interview met de journalist is afgelopen maar
de heer Joweni moet eerst een vergadering houden met zijn afvaardiging
naar het congres en daarna inspecteert hij zijn TPN-eenheden." "Prima,"
antwoorden wij opnieuw. Het geeft ons de kans om even met zijn
manschappen te praten. Het wordt al schemerig als we buiten onder het
afdak op houten banken met enkelen van zijn TPN-manschappen van
gedachten te wisselen over allerlei zaken. Waar komen ze vandaan? Hoe
lang dienen zij al in dit Nationale Bevrijdingsleger van West Papua (
TPN)? Opvallend is de uiteenlopende leeftijd, er zijn zowel ouderen
(in Nederland zouden ze al pensioensgerechtigd zijn), als jongeren van
diverse regio's, van Biak tot Merauke. Wat bewoog deze mensen zich aan
te sluiten bij de manschappen van Yoweni? Allen hadden ze één duidelijk
doel, ze wilden zich aansluiten bij het bevrijdingsleger om te vechten
vóór onafhankelijkheid, tegen het Indonesische regime. Een oudere
vertelt eerst glimlachend maar dan bloedserieus: "Sommigen van ons
zitten al meer dan 10 jaar, anderen al meer dan 15 jaar, en sommigen
zelfs meer dan 20 jaar bij Joweni! Waar hij gaat gaan wij, we trekken
overal met hem mee." Onder de ouderen bevindt zich een ex-inspecteur
van politie, die zijn pro Papua-idealen duur moest betalen met
gevangenschap en vervolgens ontslag. Heeft hij spijt van deze stap?
"Geen enkele spijt! Dit is mijn bedrage voor een vrij West Papua. Kijk
naar mij, ik ben nu eenmaal een Papua en geen Indonesiër. Ik kan niet
en zou ook niet willen dienen onder het Indonesische regime," zo luidt
zijn simpele antwoord. "Maar is het geen oneerlijke strijd?" vragen we
ons af. "En wat drijft jullie om toch te blijven strijden tegen de
beter bewapende Indonesiërs?" "In feite is Indonesië niet zo sterk, hun
macht zit in de wapens. Als wij dezelfde wapens hadden, joegen we hen
de zee in." Een ander vult aan: "Wij zoeken hen nu op in de steden. Wij
zijn niet bang voor de Indonesiërs." Plots hoor ik geroep uit de bossen, het blijken bevelen. Joweni gaat zijn
manschappen inspecteren. In mijn enthousiasme ren ik erheen gewapend
met camera om voor het huis bijna tegen de man zelf op te botsen. Ik
weet mezelf geen houding te geven en krijg na de gesprekken met zijn
manschappen zelfs de neiging om in de houding te gaan staan. Ik
onderdruk deze belachelijke impuls en stap snel opzij. De heer Joweni
loopt gelukkig onverstoorbaar door.
Eindelijk na een uur wachten komt de postcommandant ons vertellen dat
de "paitua" (de oude) ons kan ontvangen. We komen binnen in een half-
donkere woonkamer, voor de helft gevuld met jonge soldaten, waar Joweni
en zijn secondant ons ontvangen. Een vriendelijk ogende man met een
bijna bedaarde stem begroet ons hartelijk. Onmiddellijk informeert hij
naar de strijdmakkers in het buitenland. Hij is zichtbaar geroerd als
wij zijn vermoedens bevestigen en vertellen dat Markus Wonggor Kaisiepo
op 18 mei jl. inderdaad overleden is. Hij vertelt hoezeer hij deze oude
vrijheidsstrijder van het eerste uur gerespecteerd had. Het spijt hem
dat hij hem nooit heeft mogen ontmoeten. Zo noemde hij ook andere
strijders die hij graag had willen ontmoeten, zoals Nicolaas Jouwe,
Herman Womsiwor, Menase Suwae en Filemon Jufuway. Hij betreurde het
dat het niet gelukt was om Jouwe in 1974 in Madang te ontmoeten toen
Papua New Guinea een ontmoeting organiseerde voor overleg met de OPM.
Dan komt zijn onvermijdelijke vraag hoe het zit met de strijd van de
Papua's in het buitenland. We vertellen hem over de situatie in het
buitenland in het algemeen, en in het bijzonder over Nederland. Over
een comité in Nederland, Forepin, dat is opgericht, om een dialoog aan
te gaan met diverse Papua-organisaties in Nederland voor een
gezamenlijke strijd en steun aan de strijd in West Papua. Ook de
OPM-missie in het buitenland, waarvan de heer S.J. Rumkorem voorzitter
is, komt ter sprake. De resultaten van de jaarlijkse vergadering die op
18 en 19 december 1999 in Stockholm plaats had worden overgebracht.
Joweni merkte op dat hij graag zou willen zien dat diplomatieke missies
zich meer gaan toeleggen op landen, die aan onze kant stonden tijdens
de behandeling van de Nieuw Guinea-zaak in begin en eind zestiger jaren
(1961/62 en 1969) in de Verenigde Naties.
Over het tweede nationale Papua-congres, dat toen nog moest
plaatsvinden, was hij positief. Zelf had hij 500 mensen voorbereid die
het Tweede Nationale Papua Congres zouden bijwonen. Zijn boodschap voor
het congres was er maar één: streven naar de onafhankelijkheid, dus
geen autonomie onder Indonesië. "En hoe denkt u over Theys Eluay?",
vragen we. Er volgt een bedachtzame stilte. "Tja, iedereen weet dat hij
aanvankelijk pro-Indonesisch was, maar nu voor de vrijheid van West
Papua strijdt. Hij is als Paulus die eerst christenen uitroeide, maar
later bekeerd was en een heel goede apostel werd. Zo heb je vele
anderen die het Indonesische regime eerst aan den lijve moeten
ondervinden om tot bekering te komen en nu tegen Indonesië zelf vechten
voor de onafhankelijkheid van West Papua." Niet alleen een vechter, ook
een diplomaat.
"Wat vindt u van de eis voor onafhankelijkheid van 100 Papua-
vertegenwoordigers die 26 februari 1999 met de toenmalige president
Habibie spraken?" "West Papua is ons eigen land. Wij moeten nemen wat
van ons is. Maar wij moeten ons voor die overname sterk maken, zowel
moreel als materieel. Dan pas kunnen we aan Indonesië eisen stellen.
Met andere woorden: de OPM moet eerst groeien en zeker sterk zijn. Daar
moeten we allen voor zorgen. Persoonlijk had ik liever gezien dat de
100 vertegenwoordigers meteen een concept-kabinet met grondwet van een
vrij West Papua hadden overhandigd."
Onafhankelijkheid of autonomie, voor Joweni staat vast dat er niet met
Indonesië onderhandeld moet worden over autonomie, maar wel over de
volledige onafhankelijkheid. "Wij Papua's moeten niet over West Papua
als het achtergebleven, door Indonesië verwaarloosde gebied, praten.
Indonesië denkt dan dat het ons alleen om verbetering van materiele
zaken gaat. Wij willen onafhankelijkheid, niets meer en niets minder.
Zeuren om verbetering van het onderwijs, de levensstandaard, meer
rijkdommen enz. leidt juist af van het werkelijke doel, en dat is
onafhankelijkheid. Indonesië heeft tenslotte al veel aan het onderwijs
gedaan in West Papua," grapt hij, "de schoolkinderen schrijven zelfs op
de wc! Dat is toch zeker een uiting van vooruitgang in het onderwijs?
In de Nederlandse tijd was het verboden overal te schrijven, zeker niet
op de wc!" Hij vervolgt op serieuzere toon en vertelt over zijn plannen
voor samenwerking met het buitenland en organisaties in het binnenland.
Helaas laat de communicatie tussen verschillende organisaties nogal
eens te wensen over. "Snelle en betrouwbare berichtgeving wordt steeds
belangrijker, dat zie je."
De avond is inmiddels gevallen als wij ons haasten om de terugtocht aan
te vangen. De post is een stuk rustiger omdat die middag vijf
manschappen richting Jayapura zijn vertrokken om zich aan te sluiten
bij de Papua-ordetroepen in Jayapura ter voorbereiding voor het
congres. De plek krijgt bijna iets gemoedelijks met het terras en de
rokende mannen. Als je goed kijkt blijkt dat er her en der mannen het
huis en de omgeving goed in de gaten houden. Het zou niet de eerste
keer zijn dat het Indonesische leger getipt was over zijn
verblijfplaats. Wij kijken terug op een goede ontmoeting met een
bescheiden man die, hoewel zijn rustige verschijning dat niet doet
vermoeden, geldt als de meest geharde en volhardende vrijheidsstrijder
van West Papua. Iemand die bovendien twee jaar geleden zijn vrouw, lid
van het bevrijdingsleger in de rang van sergeant I, verloor door
ontberingen en ziektes in de jungle.
Als we afscheid nemen vraag ik mij af hoelang hij nog op deze bijna
idyllische plek onder de bomen in het bos kan blijven. Bij dat besef
verliest ook deze plek al haar idylle.
|