"…dat beeld, die mannen, vrouwen en kinderen die die vroege ochtend naar het schip werden gevoerd, vergeet ik niet snel."

5 juli 1998 herdacht

Door Vien Sawor

In de nacht van 5 juli op 6 juli 1998 is Biak het toneel van een bloedig neergeslagen opstand bij de watertoren waar de Papua-vlag zes dagen lang heeft gewapperd. De euforie van de 1 juli-viering duurde niet lang, militairen maakten korte metten met de demonstranten en schoten in het wilde weg op de vreedzaam demonstrerende mensen bij de watertoren. Volgens officiële berichtgeving vielen er ongeveer 60 doden, volgens onofficiële berichtgeving wel honderden, waaronder vrouwen, kinderen en ouderen. Vele demonstranten werden afgevoerd naar zee, om daar een afschuwelijke verdrinkingsdood te sterven. Drie jaar later is de tragedie nog lang niet vergeten: familie en vrienden rouwen nog steeds om de doden, getuige de kranslegging bij de watertoren, juli jl. Een ooggetuige, lid van de Papua-ordetroepen, herinnert het zich als de dag van gisteren. Als ik hem vraag wat hem het meest is bijgebleven aarzelt hij geen moment en brengt me naar de haven van Biak.

"Ik bewaakte een van de commandoposten op enige afstand van de watertoren, de toevalswegen hadden we afgeschermd. Om ongeveer half 5 's ochtends begon het schieten van de militairen. Ze schoten in het wilde weg en met scherp geschut. Ik zag dat Karma (Philip Karma, organisator van de demonstratie, red.) een Bijbel in zijn handen omhoog hield. Ik pakte mijn tas, verliet de commandopost en zette het op een lopen, waarheen wist ik nog niet precies. Het werd de haven. Daar verschool ik me onder een brug. Ik had geluk, er zat een kleine ruimte achter een muur van stenen waar ik me precies kon verschuilen." Hij laat me triomfantelijk de plek zien waar hij zo'n 8 uur in een onmogelijke houding moet hebben gezeten. "Ik kleedde me uit op mijn onderbroek na, en deed mijn kleren samen in de plastic tas die ik had meegenomen, met daarin de Bijbel, een liedboek en het volkslied, en legde de tas op een droge hoger gelegen plek. Het was inmiddels ongeveer 6 uur 's ochtends toen ik hoorde hoe het drukker werd in de haven. Er werd geschreeuwd en gecommandeerd. Ik waagde me voorzichtig uit mijn schuilplaats die inmiddels half onder water stond vanwege de vloed, en vanonder de brug kon ik een gedeelte van de haven overzien. Ik zag hoe ongeveer 100 mensen, ook vrouwen en kinderen, naar een groot schip werden gebracht. Sommigen waren gewond, anderen bloedden van de tatoeages die ze op zichzelf hadden aangebracht: OPM, Papua Merdeka en de Papua-vlag. Ik vreesde het ergste voor deze mensen en het angstzweet brak me uit. Dit gebeurde allemaal op enkele meters van me vandaan! Ik kroop dan ook snel weer terug in mijn schuilplaats. Ik bad voortdurend, verloor besef van tijd en viel tenslotte in slaap.


1 juli 2001 in Biak: De slachtoffers van de 1 juli-herdenking worden herdacht

Toen ik wakker werd, was het stil om me heen. Ik nam weer voorzichtig een kijkje en zag dat enkele militairen twee trucks met daarin gehurkte Papua's bewaakten. Nog steeds was de kust niet veilig ik en ik kroop weer terug mijn schuilplaats in. Inmiddels moest het ongeveer 11 uur zijn en was het bloedheet in mijn schuilplaats. Ik bad opnieuw, las uit de Bijbel en viel weer in slaap. Om ongeveer 1 uur werd ik wakker omdat er drie keer in de lucht geschoten werd: het waren schoten die de haven veilig verklaarden. Maar nog steeds wemelde het van de militairen, de trucks waren inmiddels verdwenen. Er was geen zuchtje wind en het werd nog heter in mijn schuilplaats. Ongeveer 2 uur besloot ik de gok te wagen. Ik trok mijn droge kleren aan, bad een laatste keer en nam de Bijbel mee. Ik besloot niet via het water te ontsnappen om mezelf niet verdacht te maken maar gewoon te doen alsof ik aan het wandelen was. Terwijl ik uit mijn schuilplaats sloop, deed ik alsof ik net geplast had en liep rechtop richting de kust naar mijn ooms huis in Waupnor (wijk in Biak, red.).Toen zag ik uit mijn ooghoeken hoe militairen, die de kust met verrekijkers in de gaten hadden gehouden, twee andere jongens uit het water visten die kennelijk via het water hadden willen vluchten. Ik dacht: ik ben vast de volgende. Ik zette het op het lopen en verstopte me in een varkenskot langs de waterkant. Het stonk vreselijk, maar gelukkig zagen ze me niet. Ik waste me snel bij de gezamenlijke pomp, want ik zweette en stonk en wilde geen aandacht trekken. Toen ik omhoog keek zag ik dat een Javaanse vrouw me had zien staan. Ik wilde niet riskeren dat ze me zou verraden bij de militairen even verderop, dus liep snel door. Toen zag ik eindelijk een bekend gezicht: mijn mama adik (jongere zus van zijn moeder). Ze was bij een zoetwaterbron haar kleren aan het wassen. Zelden was ik zo blij haar te zien! Ze zag me, schrok even maar begreep onmiddellijk dat ik op de vlucht was. Ze gaf me zonder twee keer na te denken haar wasmand met natte kleren, droeg me op mijn shirt uit te trekken en een handdoek om mijn middel te slaan zodat het leek alsof ik me gewassen had bij de bron. Samen liepen we naar haar huis, pal langs twee militairen die nog steeds op zoek waren naar demonstranten. Terwijl we er langs liepen zei ze boos tegen me: 'Bapa, jalan cepat, anak anak sendiri ada di rumah ja.' (Vader loop door, onze kinderen zijn alleen thuis...) Waarop de militairen ons slamat siang (goedemorgen) wensten en zeiden: Ibu jangan takut, kami tidak bikin apa2.' (Niet bang zijn mevrouw, we doen niets.) Vijf minuten later was ik eindelijk veilig thuis.

Maar dat beeld, van die mannen, vrouwen en kinderen die die vroege ochtend naar het schip werden gevoerd, vergeet ik niet snel. Helemaal nu ik weet hoe het met ze afgelopen is: ze zijn in jutezakken gestopt en in zee gegooid, en vele vrouwen werden eerst verkracht. Dat blijft je je leven lang bij."

Biak, juli 2001, A. Awom (33 jaar)

< Vorig | Volgend >
[ Begin pagina | Home | Inhoud archief | Mail ]