Dr Kees Lagerberg, voormalig bestuursambtenaar in Nederlands Nieuw Guinea en cultureel antropoloog, doet onderzoek naar de New York Agreement van 1962 en de gevolgen die dit vedrag had voor de geschiedenis van West Papua vanaf 1962. De heer Lagerberg volgt het onderzoek naar de gang van zaken na de bestuursoverdracht in 1962 in opdracht van de Nederlandse regering door Dr. Drooglever van het Instituut voor Nederlandse geschiedenis met kritische ogen. Nederland heeft geen haast, de Papua's des te meer. Voor zijn onderzoek/publicatie reisde Lagerberg o.a. naar Australië, Indonesië West Papua en Engeland waar hij in verscheidene -net opengestelde- archieven dook en met vele getuigen sprak. Hier een voorproefje van zijn publicatie dat in twee delen in de WPC gepubliceerd zal worden.

Het verdrag en de uitvoering

Hoofdstuk H van een verhandeling over het Verdrag van New York en de gevolgen

door Kees Lagerberg

De Overeenkomst van New York, die Nederland en Indonesië 15 augustus 1962 in New York onder auspiciën van de Verenigde Naties sloten, en waarin de bestuursoverdracht van Nieuw Guinea werd geregeld, heeft een lange en gecompliceerde voorgeschiedenis. Men behoeft daar niet alles over te weten, maar die voorgeschiedenis werkt door in de inhoud en in de uitvoering van het verdrag. Men vindt dat terug in de tekst van het verdrag, in de officiële en minder officiële verslagen van de uitvoering, in de formele verantwoording en niet het minst in reportages van journalisten en getuigenissen van betrokkenen. Voorzover dat voor de geldingskracht van de overeenkomst van belang is, was het nodig, zoals de Papua's het genoemd hebben, "de geschiedenis te herschrijven". Het werd in meerdere opzichten een ontluisterend onderzoek naar een schuldig zwijgen.

De inhoud
Er is met de tekst van de Overeenkomst, de New York Agreement (N.Y.A.) iets eigenaardigs aan de hand. In het Indonesische verslag doet men daar niet geheimzinnig over; het wordt daar getypeerd als een 'peculiar document'. Het zet uiteen dat de overeenkomst bestaat uit twee delen, waarvan het eerste deel tegemoet komt aan de Indonesische eis, terwijl het tweede gedeelte een uitweg zoekt voor het zelfbeschikkingsrecht van de Papua's, waaraan Nederland hecht. In het Indonesische verslag, maar nog veel meer in de rede die president Soekarno de dag na ondertekening van het akkoord uitsprak, komt duidelijk tot uiting dat de twee gedeelten met elkaar in tegenspraak zijn. Voor de Papua is in het verdrag immers een keuzemogelijkheid bedongen en bij een keuze voor onafhankelijkheid sluiten ze elkaar uit.


Omslag van de New York Agreement

Het object
Maar er is meer aan de hand dan de inconsistentie van de uitgangspunten in het eerste en het tweede gedeelte. In het eerste gedeelte zou het object moeten zijn: overdracht van de soevereiniteit. Dat is niet het geval. Men komt niet verder dan overdracht van het bestuur. Maar aan de uitoefening van bestuur is niet het beschikkingsrecht over het gebied of over de nationaliteit van de bewoners verbonden. Nederland is daardoor in het bezit van het 'ius nudum' gebleven, het blote recht ofwel de substantie van de soevereiniteit, en zodoende is Nieuw Guinea een niet-zelfbesturend gebied (art.73 sub 1 Handvest Verenigde Naties) gebleven. Het feit dat de Nederlandse minister Luns in het betreffende Kamerdebat heeft verzekerd dat het bij tekening van het verdrag de bedoeling was de soevereiniteit over te dragen, verandert niets aan de duidelijkheid van de tekst. Een beroep op een geestelijk voorbehoud, een 'reservatio mentalis' past wel in de jezuïtische geslepenheid van Luns' wijze van formuleren, maar alleen al zijn aperte ontkenning sluit die mogelijkheid uit. Er is geen sprake van een ontsnappingsclausule: als men de levering van citroenen afspreekt, komt men niet weg met de levering van andere zuidvruchten; al zou men ze zo noemen, dat telt niet. Hier bijt de slang van het verhullend taalgebruik in de eigen staart. De eenvoudige waarheid is, dat Indonesië niet vroeg om de overdracht van de soevereiniteit omdat president Soekarno op het standpunt stond dat Indonesië de soevereiniteit al bezat met het uitroepen van de onafhankelijkheid in 1945. Maar dat is internationaal-juridisch niet juist en ook door Nederland nooit erkend. Ironisch is wel dat de Papua's in hun Groot Beraad-bijeenkomsten in het jaar 2000 dezelfde redenering volgden als de Indonesiërs in 1945; zij verwijzen dan naar 1 december 1961, toen zij van Nederland een vlag en een volkslied ontvingen. Dat is de achtergrond van de vlaghijsingen, die in aantal toenamen na 1 december 1999 en die tezamen met de naam West Papua door president Wahid werden toegestaan. Wahid zag die gebeurtenissen als voorloper van een federale staatsvorm, als de erkenning van een autonome identiteit, maar in de ogen van de Papua's was het de erkenning van een recht van secessie. Dat verschil van opvatting over het moment van overdracht van de soevereiniteit tussen de contractanten Nederland en Indonesië bleek al terstond uit de rede van Soekarno na de aanvaarding van het tweede gedeelte van het Verdrag van New York; hij verzekerde het Indonesische volk dat het recht op zelfbeschikking slechts interne zelfbeschikking betekende, omdat de eenheidsstaat Republik Indonesia nu eenmaal extern zelfbeschikkingsrecht uitsloot. Op die rede, die vanaf het eerste moment al aangaf dat er sprake was van een malafide overeenkomst, komen we later terug.

Interessant is overigens het woordgebruik in de vertalingen, waarvan de officiële de Engelse is. Het gaat dan in het Engels om overdracht van de 'administration', hetgeen in de Nederlandse vertaling niet bestuur of bewind heet, maar bestuursverantwoordelijkheid en in het Indonesisch het ontoereikende keperintahan in plaats van het duidelijke kedaulatan. Bij een verdere uitwerking is er dan nog sprake van 'full adminstration', volledige bestuursverantwoordelijkheid en keperintahan penuh, maar wat dat voor extra's toevoegt of hoeveel het afdoet aan de eerste formulering is waarschijnlijk alleen te vatten voor fijnproevers. Men vraagt zich af hoe deze gekunstelde formulering tot stand kon komen. Vast staat dat president Soekarno zijn onderhandelaars beter in de hand had dan minister Luns; Soekarno was, zoals hij zelf zei, een Nieuw-Guinea fanaat; hij moest en zou zijn revolutie voltooien. Luns stelde dat Nieuw-Guinea aan de rand van onze belangen lag, maar in het hart van onze morele overtuiging. Soekarno had een onderwerp nodig dat de aandacht van zijn volk zou afleiden van de dramatische economische toestand en hij zag kans door een listige diplomatie de Sovjet-Unie en de VS tegen elkaar uit te spelen. Op het wereldtoneel was de wedloop om de Derde Wereld in volle gang en het dekolonisatieproces stond daarin centraal. De Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in de Verenigde Staten had een duidelijk andere inschatting van de opstelling van de VS dan minister Luns en dit leidde weer tot verwarring in Den Haag. Luns wist zich sedert 1958 al gesteund door een toezegging van Amerikaanse steun in geval van een militaire confrontatie tussen Nederland en Indonesië.

15 augustus 1962: Ambassadeur dr.
J.H. van Royen ondertekent namens Nederland de overeenkomst met
Indonesië

Hij had na een diner bij de Nederlandse ambassadeur H. van Royen sr. in Washington, waar de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken John Foster Dulles te gast was, deze een geschreven verklaring ontworsteld, waarin hij Nederland steun toezegde. De zoon van ambassadeur Van Royen, nadien eveneens ambassadeur, vertelde mij hoe Luns met zijn grote gestalte na het diner Foster Dulles, (een half jaar voor zijn dood), vrijwel letterlijk in de hoek drong bij zijn betoog dat hij een geschreven verklaring van steun diende te hebben om in Nederland het kabinet en met name minister-president Drees te kunnen overtuigen van de Amerikaanse bereidheid tot interventie. De gebeurtenis speelde zich in de versie van Van Royen jr. zelfs zo af dat mevrouw van Royen het papier moest aanreiken, waarop Foster Dulles zijn tienregelige verklaring kon afleggen. Luns stopte het papier in zijn binnenzak, niemand heeft later het papier nog gezien, maar er zou in de formulering gestaan hebben, dat de VS Nederland 'appropriate' steun zou verlenen. En dat woord geeft een ander zicht op de Amerikaanse houding. De gangbare visie is immers dat de koers van de Eisenhower-Foster Dulles- politiek in het Verre Oosten door de latere Kennedy-Rusk -regering werd ingeruild voor een andere benadering, die meer op Indonesië was afgestemd. Het enkele woord 'appropriate' toont al aan dat de VS niet bereid waren door dik en dun voor het belang van Nieuw-Guinea te gaan staan.
Het werpt ook licht op de verhouding Luns-Van Royen sr; de Nederlandse ambassadeur zal immers van meet af aan beseft hebben dat men op de houding van de VS niet in elk opzicht dicht kon varen. Het was duidelijk dat de VS de trouwe bondgenoot Nederland niet in de steek zouden laten en dat werd in de kritieke tijd van de infiltraties ook bevestigd met de toezegging Nederlandse onderdanen uit Nieuw-Guinea te evacueren e.d, maar van meet af aan was de veronderstelling gewettigd dat de VS niet bereid zouden zijn gewapenderhand voor Nederland de kastanjes uit het vuur te halen en de Zevende Vloot te sturen. Begrip voor deze achtergrond is nodig om te kunnen aanvaarden dat de Amerikaan Elsworth Bunker, die namens U Thant bemiddelde bij de opstelling van het New York-akkoord een overeenstemming toeliet die onoprecht was. Die ingebouwde dubbelzinnigheid is van toepassing voor elk van de drie betrokken partijen. Het geldt zeker voor de Nederlandse ambassadeurs bij de VS en bij de VN, maar niet minder voor de Indonesische diplomaten en met name voor minister Adam Malik van Buitenlandse Zaken, die bij de uitvoering van de volksraadpleging leiding zou gaan geven aan de z.g. sectore Irian en in wat mindere mate voor U Thant, de secretaris-generaal van de VN, die bij monde van zijn waarnemer Ortiz Sanz met toenemende nadruk ging verklaren dat de VN in deze affaire geen verantwoordelijkheid had behalve dan die van toezichthouder en dienstverlener. In New York en Washington kan de snel verbeterende verhouding tussen Nederland en Indonesië, en de stilzwijgende verstandhouding van de diplomaten van beide landen niet onopgemerkt gebleven zijn. Ook oude gemeenschappelijke (Indische) ervaringen konden bovendrijven, een gedeeld verleden, waarvan de atlanticus Luns geen weet had. Het was voor iedereen duidelijk dat het herstel van de goede verhouding met Indonesië voorrang had op het belang van de Papua's. Dat zal vooral blijken bij de bespreking van de periode die ligt tussen de sluiting van het verdrag in 1962 en de volksraadpleging in 1969.

De methode
De methode voor het uitoefenen van het zelfbeschikkingsrecht van de Papua's, onderwerp van het tweede gedeelte van het verdrag, heeft de meeste verwarring gewekt. De introductie van het woord musjawara om de wijze van besluitvorming (NY-Overeenkomst art XVIII sub a) te bepalen, is het 'Sesam open u' geworden dat, als in een kwaadaardig sprookje, de algemeen aanvaarde democratische routine van het one man, one vote- systeem zou doorbreken. En dat nog wel onder vermelding in hetzelfde artikel (sub d) dat dit gepaard zou moeten gaan met in achtneming van de internationale democratische voorwaarden voor de kiesgerechtigde als leeftijd, burgerschap e.d. hetgeen wederom een onmogelijke constructie is, omdat het een tegenspraak betekent.

Bovendien is het merkwaardig dat er een methode wordt opgevoerd, afkomstig uit het Javaanse adat-recht, die de andere partij niet bekend is en waarvan de vertaling resp. in het Engels en in het Nederlands met 'consult' en 'overleg' onvolledig en zelfs onjuist is. In de Indonesische vertaling wordt alleen het woord musyawara gebruikt, maar het had onaanvaardbaar moeten zijn dat een zo cruciaal woord in de officiële Engelse en in de Nederlandse versie niet woordelijk hetzelfde is als in de Indonesische versie. Dat het Indonesische woord in zowel de Engelse vertaling als in de Nederlandse vertaling als musjawara vertaald wordt helpt de begripsverwarring niet uit de weg. Het woord betekent in elk geval in het Indonesisch niet wat in de vertalingen gesuggereerd wordt. De suggestie is dat men overlegt tot er overeenstemming bereikt is, maar in werkelijkheid is het een overleg, dat past in een Javaanse dessa, waar ouderen een standpunt bediscussiëren, waarna de sultan of radja zijn conclusie trekt, rekening houdend met de geuite meningen en de daarbij behorende invloed, en vervolgens de knoop doorhakt. Het levert dus uiteindelijk een autoritaire beslissing op. In het overleg dat de Indonesische ambassadeur Soedjarwo Tjondronegoro voor de volksraadpleging in Den Haag met parlementsleden voerde is het door Nederland aanvaard als 'een beredeneerde uitspraak', een formulering, die niet onjuist maar wel vaag is. Maar een democratische keuze is dat niet. De introductie van dit begrip is dus al of niet opzettelijk verhullend taalgebruik.

Het hanteren van ondoorzichtige termen komt nog duidelijker tot uiting als men ziet onder welke naam de volksraadpleging aan de Papua's is gepresenteerd. In het verdrag gaat het (Indonesische vertaling) om een pelaksanaan nasib sendiri (letterlijk: uitoefening van de zelfbeschikking); in de praktijk is het getracteerd als penentuan pendapat rakjat (letterlijk: peiling van het volksgevoelen). Dat is voluit mushawara in de Indonesische betekenis van het woord. Die formulering als definitie voor volksraadpleging zal men in het verdrag tevergeefs zoeken, maar deze is als zodanig aan de Papua's onder de afkorting Pepera opgedrongen. Die hebben op hun beurt het Engelse Act of free choice in het spraakgebruik getypeerd als 'Act of no choice' en 'Act free of choice'. Indonesië heeft dus de Papua's in dit opzicht niet beet kunnen nemen en de Nederlandse diplomatie werd door Den Haag geïnstrueerd niet met een stofkam te zoeken naar onvolkomenheden in de tekst. Van een enkele diplomaat, Nederlander of Amerikaan, mag men gevoeglijk aannemen dat nuances of spitsvondigheden niet werden opgemerkt, maar men vond het in elk geval dienstig om een duidelijk woord als 'referendum' te vermijden.

Het was wrang voor Nieuw-Guinea bestuurders, die 8 jaar eerder - ondanks praktische problemen van verbinding en communicatie in het veld en de handicap van een ontwikkelingsachterstand bij de bevolking (maar niet zonder ervaring in het primitieve gebied) - al een geslaagde democratische verkiezing voor de Nieuw-Guinea Raad uitvoerden, dat met hun ervaring geen rekening werd gehouden. En het is natuurlijk waar dat het Nieuw-Guinea- bestuur onder Binnenlandse Zaken ressorteerde, en de ambtelijke afstand tussen de Nieuw-Guinea -bestuurders en de diplomaten van Buitenlandse Zaken kan ambtelijk heel groot zijn; en bovendien waren de twee verkiezingen niet geheel vergelijkbaar, omdat de Nieuw-Guinea Raad trachtte een echt parlement te worden voor alle inwoners van het gebied, terwijl de volksraadpleging uitsluitend voor autochtonen bedoeld was en dan nog voor een enkele uitspraak: maar toch..... Ook de vertegenwoordiger van de VN Ortiz Sanz bleef met een zekere koppigheid vasthouden aan het 'one man, one vote'- systeem en zocht vanwege de tegenstand van Indonesië een tussenoplossing met een democratisch-aanvaardbaar 'mixed system', (d.w.z. gedeeltelijk rechtstreeks gekozen, en voor primitieve streken keuze per proxy) maar kon dat niet volhouden. Indonesië veegde het eenvoudig van tafel met voor de hand liggende argumenten als moeilijke uitvoerbaarheid wegens slechte verbindingen en primitieve instelling van de Papua's, maar de afwijzing rustte uiteindelijk op het machtswoord, dat Indonesië volgens het verdrag verantwoordelijk was voor de uitvoering en niemand anders. Hiermee zijn we terug bij de redactie van het verdrag, want in dit stadium doet zich onmiddellijk de vraag voor, wat de rol van Nederland was bij de interpretatie van de tekst voor het hanteren van de musjawara methode. De vragen "Wat vindt Nederland van de gevolgde aanpak?", en "Zal Nederland daarop de Algemene Vergadering van de VN aanspreken?", werden onmiddellijk door de VN vertegenwoordiger Ortiz Sanz aan de Indonesiërs voorgelegd. En de speciaal voor deze exercitie aangestelde Indonesische ambassadeur Soedjarwo Tjondronegoro ondernam een ware pendeldienst tussen Jakarta, Den Haag en New York om de Indonesische aanpak aan de man te brengen. Maar Nederland bleef steken in een schuldig zwijgen, want wie zijn mond niet open doet, lijkt het met de ander eens te zijn. Van het 'Qui tacet, consentire videtur', werd de Nederlandse ambassadeur Hugo Scheltema het historische boegbeeld of eigenlijk de ingevoegde hoeksteen. Indonesië, land dat na het aantreden van president Soekarno internationaal weer salonfähig wilde worden, had met zijn feilloos gevoel voor public relations in de persoon van de minister van Buitenlandse Zaken Adam Malik de juiste man voor het herwinnen van internationaal krediet. Soedjarwo Tjondronegoro, voorzitter van de Sector Irian, die voor de politieke dimensie van de volksraadpleging was ingesteld, was de ideale man voor de job. Hij was enige jaren ambassadeur in Den Haag geweest en ingevoerd in de ambtelijke en parlementaire wereld. Indonesië wenste onder het Soeharto-bewind uitvoering aan de overeenkomst te geven en daar was Nederland al gelukkig mee. Indonesië wilde dat ook voor het oog van de wereld doen op een internationaal aanvaardbare wijze. Dat hield de toelating in van internationale waarnemers; politieke en journalistieke, weliswaar met een zekere beperking (met het intussen klassiek geworden excuus van de primitieve fysieke en culturele infrastructuur) maar voor enkele diplomaten en journalisten stond deur open en Nederland stond daarbij vanzelfsprekend hoog op de gastenlijst. Hoe de Nederlandse aanvaarding van de Indonesische gastvrijheid in de persoon van ambassadeur Scheltema en diens zwijgende aanwezigheid bij een drietal zittingen van de volksraadpleging bij de Papua's is overgekomen, is niet geboekstaafd.

De eerste zitting in Merauke aan de Zuidkust op 15 augustus woonde hij bij, naast het podium gezeten in gezelschap van de Indonesische minister van voorlichting Boediardjo, die zijn tolk was. Op het verhoogde podium troonden tussen Indonesische autoriteiten en twee notoir Indonesisch-gezinde Papua's de generaals Ali Murtopo en Sarwo Edhi. Murtopo als hoofd van de "taskforce", die de raadpleging voorbereidde; Sarwo Edhi in de functie van militaire commandant van Irian-Barat, zoals het voormalig Nieuw-Guinea in Indonesië al acht jaar heette. Dat laatste realiseerde Scheltema zich zeer goed, hij was zo hoffelijk zich te excuseren als hij uit gewoonte over Papua's sprak en niet over Irianezen, zich niet realiserend dat hij op de geschiedenis vooruitliep en de identiteit van de Papua's als het ware erkende. Voor het podium zaten 174 kiesmannen (en -vrouwen), allen gekleed in uniforme hemden of jurken; zij waren gedurende enkele dagen van voorbereiding in volstrekte afzondering gehouden onder militair toezicht. Sigaretten, kleren en andere geschenken werden met kwistige hand uitgedeeld. Ook de ambassadeurs van resp. Australië en Thailand waren aanwezig, eveneens in de rol van waarnemer of getuige. Het spreken of toelichten was voorbehouden aan de vertegenwoordiger van de VN en aan Indonesische autoriteiten, van wie Sudjarwo Tjondronegoro vòòr aankomst van de ambassadeurs al een speech met anti-Nederlandse strekking had gehouden. In deze en andere bijeenkomsten werd er nadruk opgelegd dat Nederland de West-Irianezen in de steek had gelaten, terwijl Indonesië beloofde tot in het zevende geslacht zorg voor de Papua's te zullen dragen. Ortiz Sanz liet zich als enige door een professionele neutrale tolk Engels-Indonesisch voorlichten. Van de kiesmannen was een groot aantal Indonesisch, hetgeen in een van oudsher immigratiegebied van de nabijgelegen Indonesische eilanden te verklaren valt, maar in elk geval was een meerderheid Papua. In hoeverre de vertegenwoordiging representatief was voor de Papua's van het hele gebied komt elders ter sprake, evenals de wijze waarop de musjawara-methode voor de verkiezing van de kiesmannen werd gehanteerd. In de toespraken van de Indonesiërs lag de nadruk op de beoogde staatkundige positie van het gebied als autonoom gebied, op 'irianisatie' van het ambtelijk apparaat alsmede op teruggave van in het verleden naar Indonesië afgevoerde apparatuur uit ziekenhuizen e.d. Het punt terzake is nu of de wijze waarop ambassadeur Scheltema zich voegde in de Indonesische regie bij de Papua's misverstand gewekt kan hebben. De vraag stellen is haar beantwoorden. De houding van de ambassadeur bij deze en de twee volgende verkiezingen was passief in die zin dat hij zich, uitgenodigd tot bijwoning door minister Malik, de gast van de Indonesiërs voelde en zich dus welwillend gedroeg tegenover een ongetwijfeld hoffelijke gastheer. Dat hij zich niet enig oordeel kon vormen over de werkelijkheid achter het hele verkiezingsscenario lijkt onwaarschijnlijk.

De tweede zitting van de verkiezingsprocedure vond plaats in het Centrale Bergland, in Wamena, de kleine hoofdplaats van de Baliemvallei, waar men midden jaren vijftig nog kon spreken van een onberoerde Stenen Tijdperk-situatie. Op de zitting werd een uniforme methode toegepast als in Merauke d.w.z. een vijftiental sprekers werd verzocht zich uit te spreken, waarna dezen, soms proestend van het lachen, verklaarden sinds 1945 deel van Indonesië te zijn, waarna het hele gezelschap (175 man) via opstaan geacht werd van dezelfde opinie te zijn. De toespraken van Indonesische kant hadden in die primitieve streek eerder een materieel dan een politiek karakter zoals b.v. accent op verdergaande hulpverlening. Van de kant van de VN werden de twee keuzemogelijkheden gepresenteerd. Maar de gedachte dat de bevolking van de hele ceremonie, die uitging van de musjawara-gedachte, weinig begrepen heeft, alleen al vanwege de Indonesische presentatie, lijkt niet geheel zonder grond. Niettemin kan de plechtigheid met geschenken als kleding, gereedschap, sigaretten, transistorradio's e.d. in combinatie met de bijbehorende instudering van het ceremonieel toch wel een zekere indruk van instemming hebben nagelaten.

Twee dagen later volgde de zitting in Nabire aan de Noordkust in de nek van de Vogelkop, dat tevens het in de bergen gelegen Wisselmeren-gebied vertegenwoordigt, een primitief gebied dat pas in 1936 vanuit de lucht ontdekt werd en bestuurlijk ook in de Nederlandse tijd moeilijk was. Enige tijd voor de volksraadpleging was er opstand in drie gebieden, Waghete, Monomani en Enarotali. Dit kan een verklaring zijn dat de verkiezing in Nabire aan de Noordkust plaats vond en niet in het weerspannige Enarotali, de hoofdplaats van het dichtbevolkte bergachtige Wisselmeren-gebied met zijn strijdlustige bevolking. Bij die gelegenheid werd de militaire commandant Sarwo Edhi, die overvloog om de opstand te komen dempen, verhinderd te landen, waarbij militairen in zijn gezelschap werden gewond, waarna hij parachutisten moest inzetten en slechts door beschietingen van dorpen vanuit de lucht het verzet kon breken. In Den Haag was men gerustgesteld na deze tactische pacificatie. Het aan de kust gelegen Nabire daarentegen telt veel Indonesische transmigranten. Deze achtergrond kan ambassadeur Scheltema ontgaan zijn, evenals het inderhaast aanvoeren van kiesmannen uit een belendend gebied om het quorum te halen; hij heeft in elk geval het vaststaand ritueel kunnen bijwonen. Twee dozijn sprekers, die de stem van het volk vertegenwoordigden, stonden garant voor 100 % instemming van autochtone kant, zodat hij uit eigen waarneming kon bevestigen dat geen incidenten hadden plaats gevonden. In de Indonesische benadering lag ook hier weer het accent op de belofte van hulpverlening en materiële voorzieningen. De drie diplomaten mogen zich dan in hun waarneming niet al te kritisch hebben opgesteld; dat geldt niet voor de meereizende journalisten, die natuurlijk de Nederlandse ambassadeur niet van hun waarneming onkundig hebben gelaten. Zo brachten zij naar voren dat in de gevangenis van het nabij het vliegveld van Jayapura gelegen Ifar een 200 politieke gevangenen verbleven, waarvan bij informatie door de VN-vertegenwoordiger werd medegedeeld, dat dit aantal overdreven was, dat er inmiddels 45 waren vrijgelaten en dat het verder bedrijvers van gewone delicten betrof. Het Nederlandse standpunt werd dus door het officiële dementi bepaald en van eigen onderzoek was geen sprake; integendeel na de 'verkiezingsoverwinning' in Nabire was reeds een meerderheid van Papua-voorstemmers bereikt, want in de drie door ambassadeur Scheltema bezochte (primitieve) gebieden met de grootste aantallen kiesmannen (uit onbestuurd gebied) was het oordeel al geveld, zodat de verkiezing in de stedelijke gebieden eigenlijk overbodig werd, temeer omdat de deeluitslagen terstond wereldkundig werden gemaakt. Ambassadeur Scheltema kon dus na bijwoning van drie van de acht verkiezingen vertrekken om de Nederlandse regering de uitslag met de voor Indonesië gunstige afloop te melden, en deed dat ook.

(Deel 2 van dit hoofdstuk volgt in het volgende nummer van de WPC, red.)

< Vorig | Volgend >
[ Begin pagina | Home | Inhoud archief | Mail ]