Vluchtelingen in Papua New Guinea politieke speelbal

Regering Papua New Guinea speelt vals spelletje

Vien Sawor

Vorig jaar juli bracht ik een bezoek aan de vluchtelingen in Transmittercamp in Vanimo, een kleine stad in Papua New Guinea net over de grens met West Papua (zie WPC nr. 3, 2001). In het kamp verblijven ongeveer 400 mensen, mannen, vrouwen en kinderen. Ze zijn opgevangen door de katholieke bisschop Bonivento, maar hebben en krijgen geen verblijfsvergunning van de regering van Papua New Guinea. Tot overmaat van ramp heeft de UNHCR de noodhulp stopgezet, aangezien de regering van PNG ze weigert als vluchtelingen te erkennen en er officieel dus geen sprake is van vluchtelingen. De situatie is er anno 2002 niet beter op geworden en dreigt zelfs uit de hand te lopen. De vluchtelingen zelf weigeren nog steeds terug te keren "zolang de Indonesische vlag op West Papua wappert," maar de regering van Papua New Guinea lijkt een andere mening toegedaan.

Vluchtelingenstroom
In 2000 braken er rellen uit in West Papua toen officieel bekend werd dat de Papua-vlag niet langer gehesen mocht worden. Dit terwijl eerder dat jaar de toenmalige president Abdurahhman Wahid, zij het zonder medeweten van de rest van zijn kabinet, zowel de Papua-vlag als het -volkslied toestond. Met name in Wamena waren na afloop van het congres in juni 2000 de verwachtingen hooggespannen. De spanning liep op toen op 19 oktober de officiële deadline van Indonesië verliep en de politie de nog gehesen vlaggen neerhaalde. De reactie van de bevolking blijft niet uit: er worden twee Indonesische onderwijzers vermoord vlakbij het dorpje Wouma. Er volgt een clash tussen politie, woedende Papua's en immigranten en er vallen ten minste 31 doden: 7 Papua's en 24 immigranten. Wamena wordt een grimmig strijdtoneel: de politie en leger arresteren volledig willekeurig Papua's, met name 's nachts. De avondklok gaat in en er worden nog meer troepen ingevlogen. Velen zijn hun leven niet zeker en vluchten naar het nabije buurland, Papua New Guinea. In april 2001 wordt de grens met Papua New Guinea dan ook versterkt met drie bataljons van buiten in het kader van de 'Security Border Operation'.

Repatriëring
Volgens Michael Kalele, coördinator voor de vluchtelingen in Vanimo en rechterhand van de katholieke Bisschop Bonivento, is er sinds de komst van de vluchtelingen in december 2000 niets gedaan om de status van mensen te onderzoeken. Het ministerie van Buitenlandse Zaken wijt dit aan een tekort aan geld. Hun status blijft een heet hangijzer en tijdens de 20ste Joint Border Committee (JBC) vergadering in Alotau vorig jaar november werd besloten tot vrijwillige repatriëring van de Papua's naar Indonesië, hetgeen volledig in strijd was met de wensen van de vluchtelingen en het Handvest van de VN inzake Mensenrechten. "Deze mensen weten dat sommigen van hen als ze teruggestuurd worden zeker gedood zullen worden vanwege hun betrokkenheid bij de politieke strijd voor onafhankelijkheid. Papua New Guinea laat dit gewoon gebeuren," aldus een verontwaardigde Kalele in een interview met de PNG Post Courier, 4 januari 2002. Kalele wees nog eens op het wrange feit dat de Resolutie van Alotau voor vrijwillige terugkeer naar West Papua op 16 november 2001 genomen werd, terwijl slechts twee dagen later, 18 november jl., Papua-leider Theys Eluay vermoord werd aangetroffen bij de grens met Papua New Guinea.

Escalatie
Intussen blijft de Indonesische regering volhouden dat de situatie veilig is voor terugkeer naar West Papua. Volgens Kalele kan echter van repatriëring alleen sprake zijn wanneer dit onder leiding en toezicht gebeurd van de UNHCR (Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen van de VN), de VN Hoge Commissaris voor Mensenrechten, Amnesty International en de Wereldraad van Kerken. Kalele is vastberaden de vluchtelingen niet aan hun lot over te laten. In een interview met The National: "De regering van Papua New Guinea voert geen duidelijk beleid voor de vluchtelingen. Het lijkt alsof de regering deze mensen (border crossers) enerzijds niet wil arresteren, beschuldigen en vervolgen als illegale immigranten die Papua New Guinea onofficieel zijn binnengekomen, maar ze wil ze ook niet als vluchtelingen beschouwen." Intussen lopen de schulden van de Katholieke Missie in Vanimo bij lokale winkels op: een week voedsel voor de vluchtelingen kost ongeveer 2000 kina, en de schuld is inmiddels opgelopen tot 208.000 kina (bijna 40.000 Euro). Kalele vreest dat met de huidige uitgaven, en ondanks de hulp van donoren uit Australië, New Zeeland en Europa, er niet genoeg geld zal zijn om de vluchtelingen van voedsel te blijven voorzien en de situatie zal escaleren. Het is dan ook ironisch te zien dat juist Papua New Guinea recentelijk besloot een tijdelijk opvangcentrum voor Australië te worden voor de 216 Afghaanse asielzoekers die nu in Manus worden opgevangen.


Kalele (midden): "Deze mensen weten dat als ze teruggestuurd
worden, sommigen zeker gedood zullen worden vanwege hun
betrokkenheid bij de politieke strijd voor onafhankelijkheid. Papua
New Guinea laat dit gewoon gebeuren."


Vicieuze cirkel
De reactie van de regering van Papua New Guinea blijft even vaag als hun vluchtelingenbeleid. In een telefonisch vraaggesprek van Focus d.d. 16 januari 2002 met minister van Buitenlandse Zaken, Dr. Waiko: "We weten in feite niet of het wel vluchtelingen zijn." Logisch," vindt Kalele: "Sinds de vlucht van deze Papua's uit West Papua in december 2000, heeft Buitenlandse Zaken geen enkele poging gedaan om hun zaak te bekijken. Het is internationaal gezichtsverlies van Papua New Guinea wat betreft hun vluchtelingenbeleid." Volgens de VN-Conventie voor Vluchtelingen komt een persoon in aanmerking voor de vluchtelingenstatus indien bij hem/haar gegronde aanwijzingen zijn voor vervolging, vanwege het uiten of het hebben van een andere politieke mening. Of indien er daadwerkelijk aanwijzingen bestaan dat zijn/haar veiligheid in land van herkomst in gevaar is. Voordat men dit echter per persoon kan gaan onderzoeken moet Buitenlandse Zaken echter eerst per geval de status bepalen. Tot nu toe worden ze aangemerkt als 'border crossers'. Kalele: "… Er zijn geen interviews afgenomen en er is nog geen onderzoek gestart. Het Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen van de VN kan de regering van Papua New Guinea geen actieve hulp verlenen voor hervestiging en rehabilitatie, aangezien Papua New Guinea haar beleid heeft aangepast waarbij dit niet langer mogelijk is." Daarnaast beroept dezelfde regering zich juist op uitspraken van een VN-vertegenwoordiger die volgens Waiko de PNG-regering adviseerde de 400 Papua's uit West Papua niet in aanmerking te laten komen voor de vluchtelingenstatus. De regering van PNG kan volgens eigen zeggen dan ook alleen officiële hulp verlenen bij de repatriëring van de border crossers. Hiermee lijkt de vluchtelingenproblematiek in een vicieuze cirkel te zijn beland, waarbij de vluchtelingen zelf opnieuw aan het kortste eind trekken.

Terechte angst
Repatriëring is echter geen optie voor de vluchtelingen zelf. Ze weigeren terug te keren naar West Papua "zolang de Indonesische vlag op Papua-land wappert," aldus Koyoga vorig jaar juli in een interview met ondergetekende. Wendinus Koyoga en zijn vrouw Julina zijn terecht bang voor de Indonesisch politie en het leger. Wendinus en zijn familie waren een van de 12.000 vluchtelingen die in omstreeks 1980 naar het buurland vluchtten. Hij was een van 15 families in het kamp Black Wara die in 1988 "vrijwillig" terugkeerde naar Jayapura, West Papua. Eenmaal aangekomen in Jayapura wordt hij na twee weken samen met de andere mannelijke gezinshoofden door de Indonesische autoriteiten gearresteerd. De beschuldigingen zijn tot de dag van vandaag vaag, maar het resultaat was een gevangenisstraf van bijna 10 jaar in de Kalisosok-gevangenis op Surabaya. Schijnbaar onbewogen vertelde hij mij vorig jaar zijn verhaal: "We werden met zijn 15-en apart gevangen gezet gedurende een maand. Op 5 maart 1998 werd 1 van ons in een zak gestopt en doodgestoken door een zwaard die de zak doorboorde. Het lichaam werd gedumpt in zee en is nooit teruggevonden." Hij en de rest van zijn vrienden ondergingen hetzelfde lot maar Koyoga werd uit de zee gevist en weer gevangen gezet. Tijdens zijn gevangenschap is hij dikwijls gemarteld, de vele littekens op zijn lichaam illustreren zijn afschuwelijke ervaring. Na zijn vrijlating in 1997 keert Koyoga terug naar zijn dorp vlakbij Wamena in de Baliemvallei. Maar als eind 2000 tijdens vlaghijsingen demonstraties opnieuw bloedig worden neergeslagen vlucht hij weer naar Papua New Guinea, samen met vele anderen, op de vlucht voor het aanhoudende Indonesische geweld. Helaas is zijn verhaal is niet opzichzelfstaand. Andere getuigenissen spreken ook van martelingen, verkrachtingen en moord. En ook de recente moord op Papua-leider Theys Eluay en de onverschilligheid waarmee de Indonesische regering het onderzoek naar de moord afhandelt duidt op bitter weinig respect voor de mensenrechten in West Papua.

(Bronnen: Post-Courier Online, Papua New Guinea Post-Courier, 4 januari 2002, PINA Nius Online, 12 januari 2002, Focus, 17 januari, 2002)

Vluchtelingen Kampraad
Kampraad: in het midden woordvoerder van de vluchtelingen Gombo;
rechts Wendinus Koyoga, enige overlevende van de 15 mannen die in
1988 gerepatrieerd werden.

< Vorig | Volgend >
[ Begin pagina | Home | Inhoud archief | Mail ]