De pers in Nederlands Nieuw-Guinea

´Ons laatste oorlogje´ wordt de strijd die Nederland en Indonesië voerden om Nederlands Nieuw-Guinea wel genoemd. Oorlog-je. Want ondanks schermutselingen was van een 'echte' krijg geen sprake. Maar toen de dreiging ervan in de lucht hing, hees de Nederlandse pers zich in tropenpak en trok begin 1962 naar de verre kolonie. Nieuw-Guinea, dat in 1949 als laatste familiejuweel buiten de soevereiniteitsoverdracht van Nederlands-Indië aan Indonesië was gehouden, speelde 13 jaar lang een belangrijke rol in onze buitenlandse politiek. Na eindeloos palaveren ondertekende Nederland onder grote internationale druk op 15 augustus 1962, nu veertig jaar geleden, het New-York Akkoord. Daarmee was de overdracht van Nieuw-Guinea aan Indonesië een feit en de onafhankelijkheid waarop Nederland de Papoea's verhaast voorbereidde van de baan. Ellen de Vries reconstrueert de omstandigheden waaronder Nederlandse verslaggevers destijds verslag deden van de troebelen in de voormalige kolonie.

Door Ellen de Vries


'De eerste indruk was overweldigend!,' herinnert Joop van Zijl (67) zich. In 1956 besloot de 21-jarige Van Zijl de dienstplicht in Nederland te ontvluchten om zijn geluk te beproeven bij de gouvernementsradio Radio Omroep Nieuw-Guinea. Nooit verder geweest dan Luxemburg, keek hij zijn ogen uit in dit land aan de andere kant van de aardbol: dertien keer Nederland. Eén stronk boerenkool. 'Vanuit het blanke Nederland plonsde ik zo neer tussen de 'zwarte pieten'. In 1959 vertrok hij na beëindiging van zijn contract weer naar Nederland, maar keerde terug als verslaggever toen de spanningen tussen Indonesië en Nederland opliepen. Was er vanaf 1960 al sprake van kleine schermutselingen, na de jaarwisseling van 1961 leek het alsof het getouwtrek tussen Nederland en Indonesië om Nieuw-Guinea zou ontaarden in een echte oorlog. De Nederlandse Marine Inlichtingendienst had al diverse berichten onderschept van op handen zijnde acties. Op 15 januari 1962 vond inderdaad een zeeslagje plaats aan de zuidkust van Nieuw-Guinea. Twee Nederlandse oorlogsschepen openden het vuur op drie Indonesische motor-torpedoboten, die recht op de kust afkoersten. De Matjan Tutul werd de grond in geboord en een tweede torpedoboot in lichterlaaie gezet: 39 doden en 53 overlevenden (Peters, p.168). Verslaggevers spoedden zich vanuit alle windstreken naar de Oost. Begin 1962 wemelde het in het anders zo rustige hoofdstadje Hollandia ineens van de journalisten. Maar liefst zestig verslaggevers hadden hun komst aangekondigd, zo meldde het enige onafhankelijke dagblad De Nieuw-Guinea Koerier. Hoeveel Nederlandse verslaggevers Nieuw-Guinea precies bezochten is niet bekend. Ed van Westerloo (64), destijds verslaggever voor het ANP, herinnert zich dat de meeste Nederlandse verslaggevers een paar weken bleven en dan weer vertrokken. Een groep journalisten bleef langer: Van Westerloo zelf, Joop van Zijl van de AVRO, Dick Schaap van Het Vrije Volk, Boebie Brugsma van de GPD, Jan Gerritsen van de NTS, Otto Kuik van De Telegraaf, en Wim Hofman van het Algemeen Dagblad. Daarvan leven alleen Van Westerloo, Van Zijl en Dick Schaap nog.
(…)

Censuur en onvolledige informatie
De meeste Nederlandse journalisten nestelden zich in het gouvernementshotel in de hoofdstad Hollandia. In de nabijheid van autoriteiten en voorlichtingsdienst. Van Westerloo: 'Je at en dronk samen, ging op pad en maakte berichten. De communicatiemogelijkheden waren uiterst beperkt. Twee keer per dag kon ik een uur seinen naar Nederland via de telex: om elf uur 's ochtends - vaak kregen we op dat tijdstip geen verbinding - en tien uur 's avonds. Het meisje van het postkantoor tikte dan mijn kopij in.' Wat er zich in de buitenwereld afspeelde ging grotendeels aan hem voorbij. Nederlandse kranten werden wel opgestuurd, maar zeker niet dagelijks. Overleg met het ANP bestond uit af en toe een berichtje via de telex; telefoneren was te duur. In stille uurtjes leerde Van Westerloo als de wiedeweerga de lingua franca Maleis.

Het gouvernement verzorgde wekelijks persconferenties waarbij perscommuniqués werden uitgedeeld. Stringers (gouvernementsambtenaren of leraren die Nederlandse media zo nodig van nieuws voorzagen) en verslaggevers gingen er braaf naar toe. 'Achteraf bleek dat we vaak bij de neus waren genomen,' zegt Van den Berg, 'want toen ik later in een boek las over alle militaire acties die in Nieuw-Guinea hadden plaatsgevonden, dacht ik: Jezus, er is veel meer gebeurd dan ze ons op die vodjes verteld hebben.' Begon de pers in Nederland - 'Ja, Excellentie'- zich net aan de gezagsgetrouwheid te ontworstelen, in Nieuw-Guinea was daarvan nog geen sprake. Van Zijl: 'Je kon vragen wat je wilde, maar antwoord gaven ze niet.' Van Westerloo vult aan: 'Gouverneur Platteel was onvoorstelbaar autoritair. Die dacht: zo'n jongen doet wat ík zeg.' Over de evacuatie van Nederlandse vrouwen en kinderen naar Nederland in juni 1962, mocht Van Westerloo niet publiceren. Dat zou maar onrust veroorzaken. Hij deed het natuurlijk toch en dat gaf een behoorlijke aanvaring. UPI-correspondent Dr. Van Doorn, ambtenaar bij de Dienst Economische zaken te Hollandia, werd zelfs tijdelijk (van 4 tot 16 juli 1962) van militair nieuws uitgesloten toen hij een niet door de autoriteiten bevestigd bericht had verstuurd. Ook Jacques Grijpink (76) riep toorn over zich af. Grijpink werkte voor de gouvernementsradio Radio Omroep Nieuw Guinea, waar Van Zijl toen al vertrokken was. Een soort radio 2 met muziek, nieuws- en actualiteiten gericht op de Nederlanders in Nieuw-Guinea. De zender stond om technische redenen in Biak, twee uur vliegen met een oude Dakota van Hollandia vandaan. De voorlichtingsdienst telexte informatie door en zag er ook op toe welk nieuws uitgezonden werd. Het bericht dat de Indonesische legeraanvoerder Nasoetion begin januari 1961 in Moskou wapens had besteld, stuurde Grijpink, - ondanks de waarschuwing: 'Nasoetion moet eruit!'- , doodleuk de ether in. Het kwam hem op een schriftelijke 'ontevredenheidsbetuiging' van de gouverneur te staan. 'Maar er was toch gezegd: dat bericht over Nasoetion dat moet eruit, dat móet uitgezonden worden?', hield Grijpink zich van de domme. 'Het was echt onzin. Een week later zag ik het bericht op het Polygoon-journaal in Hollandia. Ze wilden ons niet ongerust maken, dat was paternalistisch.' Hij herinnert zich dat in 1960 postagentschappen zelfs op last van de procureur-generaal post openden. De hoofdredacteur van de Nieuw-Guinea Koerier die over dit censuurschandaal had bericht, vluchtte voor de zekerheid met zijn koffertje van Hollandia naar Biak.
(…)

Zuilen, koloniale banden, objectiviteit
De zuilen stonden in 1962 nog recht overeind (1). De pers schaarde zich grotendeels achter de plannen van de regering om Papoea's naar zelfstandigheid te leiden. Daarin volgde bijvoorbeeld de Volkskrant trouw de KVP. De socialistische krant Het Vrije Volk en ook de VARA stonden - in lijn met de PvdA - niet zo vierkant achter dit ideaal (2). Toch meent Schaap: 'Er was juist vanwege die verzuiling een strikte scheiding tussen commentaren en nieuws. Daarom moest je als verslaggevers zo objectief mogelijk zijn. Er werd van mij geen politiek commentaar verwacht.' Maar Oosterhof van RaPaBa, meent: 'Journalisten zoeken bij hun mening meestal de berichten en dat was merkbaar. De VARA stuurde Herman Wigbold om het standpunt van de VARA weer te geven. Een gepland vraaggesprek met mij ging niet door. Want, zei Herman Wigbold, ik ben gestuurd om je in de zeik te drukken, maar nu ik alles gehoord heb en gezien is dat onmogelijk... Gefeliciteerd!' Schaap wist zich op zijn beurt vol argwaan bekeken: 'Bij mijn aankomst werd ik door het overgrote deel van de Nederlandse gemeenschap als vertegenwoordiger van een socialistische krant wantrouwend ontvangen.' De Nieuw-Guinea Koerier schreef bij zijn aankomst zelfs: 'de vertegenwoordiger van de weggeefpartij' is gearriveerd.

Nog een andere kwestie speelde een rol: het koloniale verleden. Van Westerloo, die geen Indische tantes of kolonialen in de familie had, merkt op: 'Mensen als Otto Kuyk van De Telegraaf, Bas Klaverstijn van het ANP, Hans Oosterhof van de gouvernementsradio en Joop van den Berg van Het Vrije Volk hadden de koloniale tijd in Nederlands-Indië meegemaakt, sommigen als journalist. Toen het mis ging en ze eruit werden geflikkerd gingen ze allemaal naar Nieuw-Guinea, waar ze krantjes en een radiostation opzetten. Die waren persoonlijk op hun pik getrapt.' Van den Berg geeft toe dat zijn verleden van invloed was op zijn kijk op Nieuw-Guinea. Maar dat impliceerde niet per se een voorkeur voor Nederland of afkeer van Indonesië. Van den Berg: 'Pas in Nieuw-Guinea leerde ik de dekolonisatie begrijpen. Ik ben daar midden tussen de Indo-Europeanen gaan wonen. Toen pas leerde ik de achterstelling en rassendiscriminatie begrijpen; elke maatregel van het gouvernement was op ras geënt. In Nieuw-Guinea speelden we heel Indië nog eens over.' Als ambtenaar bevolkingsvoorlichting, zijn eigenlijke baan, gaf Van den Berg wél voorlichting over landbouw en gezondheidszorg, maar weigerde hij de Papoea's te informeren over politieke zaken als zelfbeschikking en onafhankelijkheid. Hij vond: Nederland had Nieuw-Guinea allang moeten afstaan aan Indonesië. Oosterhof, die in Nederlands-Indië ook voor de radio had gewerkt, en in Nieuw-Guinea radio-uitzendingen voor de Papoea's verzorgde, was juist vóór zelfbeschikking van de Papoea's.

Oorlog
Van welke gezindte dan ook, al dan niet belast met een koloniaal verleden, allen deden in opdracht van de Nederlandse media 'zo objectief mogelijk' verslag van de situatie ter plekke. Journalisten en stringers bezochten de persconferenties in Hollandia en trokken erop uit naar de kustplaatsen en het binnenland. Soms mee met de missie-vliegtuigjes. Schaap diept zijn knipsels uit die tijd op. Tussen 28 mei en 8 juli ruim dertig artikelen, waarin hij het welbevinden van Nederlanders schetste, uitspraken van de autoriteiten optekende, uitstapjes naar de binnenlanden maakte, maar net als de andere verslaggevers vooral berichtte over militaire acties: Indonesische paralandingen in Sorong, Merauke, Kaimana en gevechten in Fak Fak. Ook interviewde hij Indonesische infiltranten. 'In feite gebeurde er niet zo veel. Van een echte oorlog was geen sprake,' meent Van Westerloo, 'het was meer een oorlog van peloton tegen peloton. Maar in Nederland kwam dat anders over. Van mijn verloofde kreeg ik een brief, waarin ze schreef dat ze dacht dat we daar platgebombardeerd werden.Terwijl er af en toe een parachutist neerdaalde en dat was het dan. Het was geen oorlog, maar dat maakten journalisten er natuurlijk wel van.' Het melden van nieuwsfeiten over paralandingen was blijkbaar genoeg om de Nederlanders ongerust te maken. Van den Berg werd dringend gevraagd naar meer foto's van oorlogshandelingen. Achttien Nederlandse soldaten sneuvelden er, telt John Jansen van Galen in zijn boek Ons laatste oorlogje. Van Westerloo en Schaap schatten het aantal 'echte oorlogsslachtoffers' op zeven á acht. Soldaten verongelukten ook. Maar werden tevens gedood door eigen vuur, weet Van Westerloo. Of hij daarover bericht heeft, weet hij niet meer precies. 'Ik geloof dat ik wel eens heb gemeld dat het onduidelijk was of een persoon door eigen of vijandelijk vuur was gedood. Pas later hoorden we de precieze toedracht. Dat werd ook een beetje toegedekt, hoor.' De RVD liet halverwege 1962 ter geruststelling van de Nederlandse bevolking een Polygoonjournaal maken met als motto: alles is onder controle. Goedlachse mariniers vulden het filmbeeld, sigaret nonchalant bungelend in de mondhoek, terwijl de Papoeapolitie en het Papoea Vrijwilligers Korps Indonesische infiltranten onder schot hielden. De werkelijkheid was dat veel gewone soldaten bang waren. Van Westerloo: 'Ze deden het in hun broek die jongens, als ze de bush in moesten.' Van Zijl noemt achteraf het 'groetenprogramma' met human interest en allerhande nieuws dat hij voor de AVRO maakte en waarin soldaten voor de tv-camera hun groet overbrachten aan familieleden in Nederland: 'een falsificatie en misschien wel een passieve romantisering van de oorlog' (Karskens, p. 125). Op dat moment wisten de verslaggevers eigenlijk niet wat er zich precies allemaal afspeelde. Schaap concludeert: 'We zijn bewust onwetend gehouden. Pas later ben ik erachter gekomen dat er een grote Indonesische invasievloot versterkt met Russische duikboten op weg was om de tienduizend KL-ers (EdV- Koninklijke Landmacht) en mariniers in de pan te hakken en ons erbij.' Op 15 augustus 1962, na lange diplomatieke onderhandelingen, ondertekende Nederland ten langen leste het New-York Akkoord. Er was weinig keus: Soekarno had de oorlogsdreiging tot het uiterste opgevoerd en stond op het punt Nieuw-Guinea binnen te vallen. De internationale gemeenschap steunde Nederland niet. Volgens het akkoord zou Nieuw-Guinea via VN-tussenbestuur worden overgedragen aan Indonesië. Het oorspronkelijke plan van Nederland om Nieuw-Guinea naar zelfstandigheid en onafhankelijkheid te begeleiden, was van de baan. Wel bedong Nederland een volksraadpleging voor de Papoea's, in 1969 mochten zij in een referendum stemmen voor of tegen definitieve aansluiting bij Indonesië. (…)

Kritiek Papoea's
Toch verwijt een van de weinige Papoea-journalisten Jos Marey (61) de Nederlandse verslaggevers dat ze te weinig oog hadden voor het standpunt van de Papoea's inzake onafhankelijkheid. In de reportages van Nederlandse verslaggevers ontbraken de verhalen van Papoea's die hun grond manhaftig verdedigden en het Nederlands leger niet onverdienstelijk bijstonden in hun zoektochten naar Indonesische infiltranten in de bush-bush. Ook miste Marey verhalen over nijvere Papoea's die werkten aan de opbouw cq de voorbereiding op de onafhankelijkheid van hun land. 'Over de werkzaamheden van hoofdonderwijzers, verplegers of het binnenlands bestuur, dat voor 80% uit Papoea's bestond, las je niets.' Marey meent dat de Nederlandse pers weliswaar Papoeapolitici als Marcus Kaisiëpo en Nicolaas Jouwe aan het woord liet, maar liever dan over 'deze Papoea's in pak' berichtte over de Papoea's in de binnenlanden met hun peniskokers en stammenoorlogen. Zo creëerde de Nederlandse pers zijns inziens het beeld dat Papoea's nog in de Middeleeuwen leefden en van toeten noch blazen wisten. Zelf schreef Marey wel over de opbouwwerkzaamheden in de bladen die het gouvernement uitgaf speciaal voor de Papoea's. Dat waren het Maleistalige, fraai geïllustreerde maandblad Triton en het Nederlands-Maleistalige weekblad de Pengantara. 'Geen propagandablaadjes. Er was wel degelijk ruimte voor kritiek op gouvernement en bestuur.' In een van zijn artikelen hekelt Marey het woningbouwbeleid van het gouvernement, dat ten nadele van de Papoea's uitviel. Anders dan de Hollanders kregen Papoea's kregen geen fijn- maar grofmazig kippengaas voor de ramen gespijkerd, waar malariamuskieten moeiteloos door naar binnen vlogen. Ook de politiek en het regeringsbeleid konden rustig worden bekritiseerd door mannen als Jouwe en Kasiëpo, maar ook de Indonesisch gezinde Frits Kirihio, verzekert Marey. Voor de Papoea's zelf vormden de media geen factor van betekenis in de eigen besluitvormingsprocessen. 'Normaal in Nieuw-Guinea was dat stamhoofden overlegden: voeren we oorlog of sluiten we een overeenkomst. Maar Papoea's werd niets gevraagd. Pas toen de onderhandelingen voorbij waren, werden leiders als Jouwe en Kasiëpo erbij gehaald.'
Papuavrijwilligerskorps
Papuavrijwilligerskorps (midden met
gitaar: Permenas Awom, oprichter
OPM) foto: dhr. D Prawar


Na 1962
Van Westerloo was de enige Nederlandse verslaggever die tot december bleef, nadat in augustus het New-York Akkoord was ondertekend. Hij signaleerde dat de Indonesiërs tegen de afspraak in meteen binnentrokken. In 1968 keerde hij voor KRO's Brandpunt terug, samen met Aad van den Heuvel. Het was een jaar voordat de Papoea's mochten kiezen voor of tegen definitieve aansluiting bij Indonesië, zoals overeengekomen in het New-York Akkoord. Het land was op last van Indonesië vrijwel gesloten voor de pers. De twee verslaggevers werden 's nachts - terwijl 'toezichthouder' Poncke Prince op een oor lag - door leden van de na 1962 opgerichte onafhankelijkheidsbeweging OPM van hun bed gelicht voor een interview. Van Westerloo en Van den Heuvel berichtten over de aanhang van de OPM. Maar óók over de tienduizenden die van niets wisten, nuanceert Van Westerloo. Tevens meldden ze dat de VN, hoewel afgesproken, nauwelijks voorbereidingen trof voor eerlijke verkiezingen in 1969. Tevergeefs. 'Na 1962 deed Nederland niets meer voor de Papoea's. Niets,' zegt Van Westerloo verontwaardigd. De luide roep van Nederland om zelfbeschikking voor Papoea's was na 1962 geheel verstomd.

Concluderend: de Nederlandse pers had het zwaar in Nieuw-Guinea: de klamme hitte, immense afstanden, censuur, beperkte communicatiemiddelen... Op een professioneel correspondentennetwerk kon niet worden teruggevallen. Stringers noch verslaggevers slaagden er in de mythe van een krijgshaftig leger door te prikken. Zicht op wat er zich werkelijk afspeelde in Nieuw-Guinea kregen ze niet. Onbedoeld droegen journalisten daardoor misschien bij aan het beeld, dat Nederland de zaak onder controle had. Dat berichten over oorlogshandelingen prioriteit kregen boven verhalen over de opbouw en feitelijke ontwikkelingen in het land, laat zich verklaren uit het feit dat juist de oorlogsdreiging reden was om verslaggevers naar de verre -dure- kolonie te sturen. Voor de Papoea's, die geen eigen media tot hun beschikking hadden, - zoals Nederland dat voor elke gezindte wel had -, werkte dat mogelijk in hun nadeel. Doordat Nederlanders thuis vooral geïnformeerd werden over de lotgevallen van hun landgenoten in de Oost; bleef de Papoea voor hen vooral een onbekende, exotische vreemde.

Noot
  1. ANP en NTS waren 'neutraal'
  2. 'De meerderheid van de Tweede Kamer vond dat Nederland dit meest oostelijke deel van de Indonesische archipel zelf moest opvoeden tot onafhankelijkheid. Maar Indonesië eiste het gebied op als deel van het voormalig Indonesië. Toen het conflict escaleerde, schaarde een groot deel van de Nederlandse pers zich achter de regering. Zo volgde de Volkskrant trouw de koers van de KVP. Redacteuren als Jos van Schaveren, Henry Faas en Han Hansen waren fel tegen overdracht van Nieuw-Guinea aan Soekarno. (...) Er waren wel journalisten die eerder aandrongen op overdracht van Nieuw-Guinea, zoals Indiëkenner Paul van 't Veer in Het Vrije Volk en buitenlandcommentator J.L. Heldring in de NRC. Freelance journalist Willem Oltmans schaarde zich aan de kant van de groep-Rijkens die de belangen van het Nederlandse bedrijfsleven verdedigde en mede om die reden beëindiging van het conflict wenste. J.A.H.J.S. Bruins Slot, hoofdredacteur van Trouw en fractieleider van de ARP, 'bekeerde' zich mede onder invloed van christenen in Indonesië. Toen duidelijk werd dat Nederland internationaal geen steun kreeg, ging ook de rest van de regering om.'(Hagen, p.108)
Literatuur:
Nederlands laatste bastion in de Oost, Chris van Esterik, 1982
Ons laatste oorlogje, John Jansen van Galen, 1984
Nederlands Nieuw-Guinea 1945-1962, Theo Peters, 1993
Pleisters op de ogen, pleisters op de mond, Arnold Karskens, 2001
Journalisten in Nederland, Piet Hagen, 2002


(Eerder volledig verschenen in: De Journalist van 26 juli 2002, jaargang 107, nr. 14)

< Vorig | Volgend >
[ Begin pagina | Home | Inhoud archief | Mail ]